- Hap en Tap - https://www.hap-en-tap.be -

Hoe het allemaal begon…

Nu ik anderhalf jaar bezig ben en deze blog meer en meer mijn leven gaat beheersen en meer en meer fans mijn blogposts lezen, doe ik jullie graag een persoonlijk verhaal uit de doeken dat NIKS met koken of recepten te maken heeft…

Ik vertel jullie graag over mijn deelname aan de Between 2 Oceans marathon – al klopt die term niet helemaal, want de wedstrijd loopt over 56 km ipv de traditionele 42,195 km – en hoe die mij er eigenlijk toe aanzette om te beginnen bloggen. Want na màànden met veel (5 dagen per week) en vooral lange (tot 44 km) trainingen voor ’s werelds mooiste marathon, had ik ineens tijd over. Nu heb ik geen zittend gat en dus begon ik op 1 mei 2012 met Hap & Tap, 3 weken na mijn mooiste (tot nu) loopavontuur ever…

Heb je van dit verhaal genoten? Laat dan gerust een commentaar achter. Vind je ’t maar niks, ook dan graag een reactie. Alle feedback – positief of negatief – is super welkom!

 

Wat voorafging.

Kaapstad, 7 april 2012, 3:45. De wekker gaat af in room 230 van Medindi Manor. De dag is aangebroken waar we al jaren over spreken en naar uitkijken, waar we al maanden voor trainen. De dag van de Old Mutual Two Oceans Marathon, volgens de organisatie, “the world’s most beautiful marathon”. De weersomstandigheden zijn alles behalve Zuid-Afrikaans, veeleer Belgisch. Regen en wind. De voltallige MMC-delegatie is daar heel blij om, behalve ondergetekende, koukleum der koukleumen. Bovendien was ik helemaal niet voorzien op dit slechte weer en had alleen een looprokje in mijn valies zitten…

 

Bij het ontbijt hangt een bijzonder sfeertje: het ene moment is iedereen nerveus lacherig, het andere moment opvallend stil. Na de verkenning van het parcours gisteren beseffen we meer dan ooit wat ons te wachten staat. Niet alleen een heel lange weg, maar vooral een heel heuvelachtig parcours met 2 enorme klimmen: Chapman’s Peak en Constantia Nek. Op bijna geen enkel ogenblik is ’t vlak, constant is ’t ‘vals plat’…

Er worden massa’s pannenkoeken verorberd, meegebracht uit België: Diksmuidse pannenkoeken, pannenkoeken in promotie 6 + 2 gratis van de Carrefour,… Niets wordt aan het toeval overgelaten. Stel je voor dat we op dit ontieglijk vroege uur geen ontbijt zouden krijgen!

We geven de kelner van Medindi Manor een fooi om ons naar de start te brengen. Daar moeten we al heel vroeg zijn, want Bert, halfweg de voorbereiding geplaagd door een kwetsuur aan de voet, loopt de halve marathon en die start al om 6 uur. Nadat we Bert uitgewuifd hebben, schuiven we aan bij de toiletten. De rijen zijn lang. Maar we laten het niet aan ons hart komen en zingen met z’n achten uit volle borst: “Wat zullen we drinken, 7 uren lang? Wat zullen we drinken? Powerade!”.

Om 20 minuten over 6 maakt de knallende muziek uit de boxen plaats voor een mannenkoor dat live de a capella versie brengt van het Zuid-Afrikaanse anthem. Iedereen zingt mee. Blank en zwart. Geen apartheid. Toch vandaag niet. Dat alles in het pikdonker. Speciaal en indrukwekkend. Het eerste kippenvelmoment van de dag!

En dan om 25 over 6 weerklinkt het startschot en komt het 9000-koppige ultrapeloton op gang. Annie, Carine en ikzelf moeten normaal in vak E starten, maar sluipen met de rappe mannen Yvon, Ronny, Ralf, Hendrik en snelle madam Marijke mee in vak C. Elke minuut, elke seconde die we hierdoor winnen, telt. Er wordt immers gewerkt met cut-off tijdens na de gunshot. Onze netto chiptijd telt dus niet, moest het erop aan komen. 7 uur, dat is de maximum tijd waarop je moet binnen zijn. Zonder pardon!

Gezien de voorspelde regen en wind heb ik een jasje aangetrokken, mijn 7 uit België meegebrachte energiegels van Etixx evenwichtig verspreid: 3 in mijn linkerzak, 3 in mijn rechterzak en 1 in mijn achterzak. Maar het is, ondanks de vroegte, zwoel en al snel plakt mijn jasje aan mijn armen. Ik trek het uit en bind het rond mijn taille. De gels slaan constant tegen de bovenkant van mijn billen (met na 56km een kanjer van een blauwe plek tot gevolg, zo zal blijken). Maar geen tijd om naar een oplossing te zoeken, de tijd tikt. Ik ben geen snelle loopster en die cut-off tijden bezorgen mij stress.

De eerste kilometers zijn echt saai. Je loopt in het donker, door een licht stijgende, onaantrekkelijke straat. Op de koop toe begint het te regenen. Niet zomaar een beetje druppelen, maar aanhoudende plensbuien. Ik word doornat. Mijn regenjasje aantrekken heeft totaal geen zin meer. Het hangt kletsnat rond mij gesnoerd. De mannen en Marijke laten ons meteen achter zich, zoals verwacht. En ook Caroline gaat er al na 1 kilopeter, langzaam maar zeker, vandoor. Annie en ik blijven achter. We zijn al vaker op mekaar aangewezen geweest en door het samen lopen van New York, Berlijn, Boston en Firenze echte vriendinnen geworden. Hoewel we beiden in het dagelijkse leven enorme babbelkonten zijn met veel gemeenschappelijke interesses die vaak tot lange gesprekken leiden, wordt er nu maar weinig gezegd. We zijn gefocust op onze hartslag en op ons tempo. Dit is niet alleen een race tegen de afstand, maar vooral een race tegen de klok voor ons.

Na 10 km begin ik last te krijgen van mijn linkerknie. Niet verwonderlijk want de weg is bijzonder bol en scheef. Niet goed voor een loper die snel last krijgt aan de knieën zoals ik. Door de koude wordt de pijn gelukkig een beetje verdoofd. “Niet aan denken”, houd ik mezelf constant voor. Al na 15 km krijg ik een serieuze dip. “Waar in godsnaam ben ik mee bezig”, vraag ik mij af. Hier is niks mooi of fun aan. Dit is kou lijden, afzien in de gutsende regen. Maar dan denk ik terug aan de wijze woorden van Lieve Geuens, een Vlaamse dame die x aantal jaren terug uitgeweken is naar Zuid-Afrika en die vandaag haar 18de (!) 2 Oceans loopt: “Elke stap breng je dichter bij de finish. Als ’t moeilijk gaat, dan kop naar beneden en gaan met die banaan”. En dat is precies wat ik doe. De kilometers gaan vlot voorbij, de drankposten volgen mekaar in een snel tempo op en voor ik het weet, heb ik het 20 km punt bereikt. “One Ocean down. One two go.” vermelden bordjes langs het parcours. Hier mag ik mijn eerste gel nemen. Van dan af begin ik af te tellen tot het volgende “gelpunt”. Tot voor deze ultra marathon had ik nog nooit gels gebruikt en liep ik op een banaan die ik van mijn man of dochter aangereikt kreeg. Maar gezien de afstand en het stijgingspercentage van de 2 Oceans ben ik tijdens de vele lange duurtrainingen in de heuvels rond Meise en Brussegem beginnen experimenteren met gels en ik moet toegeven dat dit mij enorm goed bevallen is.

De gels spoel ik door met zakjes water die mij toegestopt worden door de doorweekte, maar goedlachse vrijwilligers. Wat een fantastisch bevoorradingssysteem is dat, zeg! Water of Powerade worden in kleine plastic zakjes gedaan met een inhoud van 1 dl. Zo handig! Je bijt er een hoekje af en kan drinken, terwijl je gewoon verderloopt. Geen water dat uit bekertjes klotst, geen bekertjes op de grond waarvoor je moet uitkijken en uitwijken en nog milieuvriendelijk ook. Dat ze dit in België en in de rest van de wereld nog niet ontdekt hebben!

Op Little Chappie’s, zeg maar de voorbode van Chapman’s Peak op 28 km laat ik Annie achter mij. Met mijn pluimgewicht loop ik nu eenmaal sneller bergop dan zij. In de afdaling rem ik bewust af, want ik voel dat bergaf geen goed doet aan mijn zeurende knie. Annie beent mij terug bij en we spreken af dat ik op Chapman’s Peak mijn eigen tempo zou lopen en dat ik dan op haar zou wachten. Bij het oplopen van deze ‘hill’ (langs de kant van de weg staan bordjes: ‘It’s just a hill, get over it!’), voel ik dat de vele lange trainingen in de heuvels renderen. Mijn hartslag is volledig onder controle en gaat niet hoger dan 152. Dankjewel, Yvon & Marijke en Ralf & Caroline voor de organisatie van die 30 km, 36 km, 44 km trainingen met voldoende hoogtemeters en voldoende bevoorrading! Dankjewel, Tomas, de loopcoach, voor het schema dat mij menig maal heeft doen vloeken, maar dat mij nu vleugels geeft!

Ik loop en blijf lopen, helemaal tot op de top. Vanaf nu kan ik beginnen aftellen tot waar de supporters staan, aan km 42. Daarna nog maar 14 km en ik ben er. Dat is trouwens ook een tip van ervaringsdeskundige Lieve Geuens: “Deel je loop in, want 56 km, dat is veel te veel. Ikzelf loop 5 maal 11 km en dan nog 1 km.” Op de top van Chapman’s beslis ik om niet te wachten op Annie, uit schrik dat mijn knie extra zou protesteren wanneer ik terug vertrek, maar loop langzaam door in de hoop en veronderstelling dat ze mij wel terug zal bijbenen.

Langzaam afdalen is trouwens een tip die ook meegegeven wordt door Ross, de coach van de organisatie die in zijn blog onervaren lopers overstelpt met goed advies. “Controle”, dat is het codewoord van Ross, zowel bergop als bergaf om niet met “jelly legs” in Houtbay aan te komen.

Houtbay dat betekent eerst de supporters zien. Valence, Bert (inmiddels fris gedoucht en aangekleed na zijn halve marathon), Stephan en dochter Lore staan met de Belgische driekleur aan de linkerkant van de weg. Ik zie hen voor zij mij zien en loop hen joelend tegemoet. Ik heb beslist om hen niet over mijn kniepijn te vertellen om hen (en het thuisfront) niet ongerust te maken. Houtbay betekent ook het marathonpunt. Ik kom er voorbij in 4u50, mijn op één na beste tijd op de marathonafstand en dat met dit parcours. Hierdoor krijg ik de nodige boost om Constantia Nek aan te vatten.

In tegenstelling tot Chapman’s Peak waar het uitzicht adembenemend mooi is, zelfs met dit regenweer, zie je op Constantia Nek niks: de weg maakt constant bochten en wordt overschaduwd door bomen. Je hebt geen benul hoe ver het nog is tot de top. Ook hier loop ik en blijf ik lopen, terwijl zo goed als iedereen aan het stappen is. Op ongeveer 1 km van de top (dat zal ik later pas weten, eens ik de top bereikt heb), ga ook ik over op een stevig wandeltempo. Een blik op mijn klok leert mij immers dat ik niet in de gevarenzone verkeer voor de cut-off. Boven aangekomen zie ik de vele witte bussen staan die gestrande lopers naar de finish zullen brengen en besef ik dat ik niet bij de categorie behoor. Ik voel dat ik nog voldoende energie heb om de finish te bereiken en dat mijn knie het nog wel 8 km zal uithouden. En dan begint het pure genieten. Alle stress is weg. Ik kijk al uit naar de groene rugbyvelden waar de aankomst is. Een nieuwe plensbui kan mijn humeur niet bederven. Een vriendelijke loper overhandigt mij een plastic regencape die een toeschouwer mij helpt aantrekken. Nog een tablet druivensuiker en de laatste kilometers kunnen worden aangevat. In een afwisseling van stevig doorstappen (ook hier loop de weg heel schuin af, een kwelling voor mijn knie) en lopen bereik ik de finish na 6 uur 38 minuten (netto tijd op mijn Garmin). Niks groen gras, maar één grote modderpoel. Ik zak diep weg, maar loop gezwind door. Nog nooit heb ik zo luid geroepen aan de finish. I’ve made it!

Uitzinnig van vreugde geef ik een dikke referee een klapzoen op zijn bolle wang. Hij neemt ‘m lachend in ontvangst. Na een snel telefoontje naar het thuisfront blijf ik, niet zonder schuldgevoel, in de finish area wachten op mijn ‘moateke’ Annie. Gelukkig komt ook zij binnen de tijdslimiet van 7 uur over de finish gelopen. Tranen rollen over onze wangen. Het zijn tranen van blijdschap.

In de tent vernemen we dat alle MMC’ers in hun opzet geslaagd zijn. Gelukkig maar. Zo kunnen we met z’n allen genieten van een welverdiende reis, voor de meesten overgoten met de nodige Zuid-Afrikaanse wijnen.

Was de 2 Oceans nu mijn mooiste marathon? Ja, toch wel. Door het uitdagende parcours, door de perfecte organisatie, door de mooie vergezichten, door de vriendelijkheid van de bevoorraders, door de extreme weersomstandigheden (weer voor echte Flandriens), maar vooral door de onderlinge vriendschap van de MMC-leden, ieder heel verschillend, maar toch complementair, was dit de allermooiste.

Is zo’n ultraloop voor herhaling vatbaar? Vooraf en tot zelfs een paar dagen erna was ik ervan overtuigd dat het bij deze ene zottigheid ging blijven. Maar het toevel wilde dat we op de allerlaatste dag van onze reis, terwijl we als apen tussen de hoge bomen van het Tsitsikamma park slingerden, in dezelfde groep ingedeeld waren met een Oostenrijks koppel uit Wenen. We raakten aan de praat en al snel bleek dat de man ook de 2 Oceans gelopen had. Na deze zou hij, voor hij 60 wordt en met looppensioen gaat, nog maar 1 ultraloop doen: de Death Sea marathon in Jordanië, een wedstrijd over 50 km, waarbij je tot 400 meter onder zeespiegelniveau loopt… Toch ook speciaal en ik geloof niet in toeval…

Na dit avontuur is een woord van dank wel op z’n plaats. Daarom:
Dankjewel, Alex Dewart, omdat je mij tijdens de allereerste Start 2 Run sessie in Lochristi in 2005 de loopmicrobe meegaf.
Dankjewel, Wilfried Silon, oprichter van de M.M.C. (Managers Marathon Club) omdat je mij in je club toeliet, waardoor ik niet alleen de smaak voor het marathonlopen te pakken kreeg, maar vooral een pak gelijkgezinde mensen ontmoette die nu echte vrienden voor het leven geworden zijn.
Bedankt, Lieven Maesschalck van Move 2 Cure. Dankzij jou kwam ik bij Dr. Koen Lagae terecht die mij in 2010, na 1 jaar blessureleed, opereerde van een lateraal frictiesyndroom (lopersknie), waardoor ik mijn favoriete hobby terug kon uitoefenen.
Bedankt, Lore, dochter en trouwste supporter die altijd klaarstaat langs het parcours met een banaan of een bemoedigend woord.
En last but not least, bedankt, Eddy, lieve echtgenoot, die heeft leren leven met mijn vele uren uithuizigheid omwille van training en die mijn reis naar Zuid-Afrika ‘gesponsord’ heeft. Ik hou van je. <3